Dromen moet je met daden waar maken

Het Bureau discriminatiezaken Hollands Midden en Haaglanden besteedde op 19 november jl. aandacht aan arbeidsmarktdiscriminatie om samen met werkgevers, onderwijs, jongeren en overige partijen informatie uitwisselen en te werken aan effectieve coalities tegen discriminatie op de arbeidsmarkt. Op dit soort bijeenkomsten wordt veel gesproken over de randvoorwaarden die nodig zijn om diversiteit en inclusie daadwerkelijk in de organisatie in te bedden: het hebben van een visie, concrete niet vrijblijvende doelen, verankering, opleiding van managers en hrm-ers. Er bekruipt mij elke keer een ongemakkelijk gevoel als ik dat hoor. discriminatie2

Wie is aanspreekbaar?
In de afgelopen decennia hebben deze adviezen niet geleid tot een afspiegeling van de samenleving in alle lagen van organisatie. Zeker in de managementlagen en hogere segmenten laat dit te wensen over. Het antwoord op de vraag WIE er in de organisatie verantwoordelijk is dat deze visie, doelen en verankering tot stand komen, blijft vaak onbeantwoord. Wie is hierop aanspreekbaar en wat zijn de consequenties als het niet of onvoldoende plaatsvindt. Nog te vaak is het afhankelijk van medewerkers die zich vanuit persoonlijke motieven hard maken voor het onderwerp, waardoor draagvlak ontbreekt.

 Mogen er meerdere waarheden naast elkaar bestaan?
Ook roept het bij mij de vraag op HOE er invulling wordt gegeven aan deze randvoorwaarden. Er wordt gesproken over opleidingen en bijscholing, maar waar moet deze dan over gaan. Ik ben van mening dat als je als organisatie daadwerkelijk gebruik wilt maken van al het talent in de organisatie het startpunt bij jezelf ligt. Heb jij daadwerkelijk oog voor de ander. Wat zijn jouw percepties, waardoor worden deze vormgegeven. Zijn jouw percepties leidend en dient de ander zich daaraan te onderwerpen, of mogen er meerdere waarheden naast elkaar bestaan.

Afglijden ligt op de loer
Op de genoemde bijeenkomst gaf wethouder Baldewsingh aan dat de organisaties in Den Haag nog lang geen afspiegeling zijn van de stad. Ook sprak hij zijn zorg uit over het grote aantal “zwarten” dat in de kaartenbak van de sociale dienst zit. Met z’n allen dienen we te voorkomen dat grote groepen uitgesloten worden. De jongeren van nu zijn de toekomst van morgen. Dat talent mogen we niet verloren laten gaan, want het leidt tot frustraties. Afglijden ligt op de loer. “Dromen moet je met daden waarmaken”. Om te voorkomen dat we nog meer voorbeelden krijgen zoals een van de deelnemers aangaf: met trots de universiteit doorlopen en diploma behaald, kwam hij ondanks vele sollicitaties, nergens aan de bak. Bij navraag waarom hij wederom is afgewezen, kreeg hij te horen dat hij niet goed genoeg Algemeen Beschaafd Nederlands spreekt. Pardon? Hoe kan iemand dit als argument aandragen als je deze persoon nooit gesproken hebt. Zou het kunnen liggen aan je naam zoals uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Plan bureau is gebleken?