Weerbaarheid en zorgen voor elkaar binnen de participatie samenleving

Wij Zij & Ik Coaching & Advies, in de persoon van Shielta Ramautarsing,  heeft de workshop  “Weerbaarheid en zorgen voor elkaar binnen de participatie samenleving” gegeven, op de themadag “Bewust en Gezond ouder worden” op 26 oktober jongsleden. Deze themadag was georganiseerd door  Stichting Beatrice Care in samenwerking met de Hindoe Ouderen Bond.  Dat de thema’s leven stond door de hoge opkomst van de Hindoestaanse ouderen buiten kuif.

Stichting Beatrice Care is een thuiszorgorganisatie, die professionele persoonsgerichte thuiszorg en begeleiding aan ouderen en volwassenen geeft in Den Haag en omstreken.  

Mijn workshop ging over weerbaarheid in relatie tot de door de overheid gewenste participatie samenleving. In een participatie samenleving moet iedereen meer zijn eigen verantwoordelijkheid nemen. Dit betekent, in het algemeen, dat alle mensen (dus ook ouderen) meer betrokken moeten zijn bij elkaar en vanuit de betrokkenheid meer voor elkaar gaan zorgen. Dit houdt vooral voor ouderen in dat zij meer hun eigen regie moeten blijven voeren over hun leven. Daarbij zullen zij meer ondersteuning ontvangen van vrijwilligers en/of hun familie. Waar voorheen de overheid deze taken op zich nam, wordt verwacht dat vrijwilligers of familie een deel van de taken overneemt. De overheid verandert van een verzorgingsstaat naar een participatie maatschappij.

Deze ontwikkeling doet  een veel groter beroep op de weerbaarheid van ouderen. De vraag is wat is weerbaarheid? Hoe ben je weerbaar, hoe stel je je weerbaar op naar anderen toe? Bij het vaststellen wat weerbaarheid inhoudt zaten de ouderen op één lijn. Het betekende voor hen: ‘het voor jezelf opkomen’. We hebben dit genuanceerd met:  ‘opkomen voor je eigen grenzen, behoeften en wensen’,  een belangrijke aanvulling hierop was dat het gaat om voor jezelf op te komen,  ‘waarbij je ook de grenzen van anderen respecteert’.

Was het zorgen voor elkaar eerst nog vrijwillig, binnen de participatie samenleving wordt verwacht dat men zelf de verantwoordelijkheid neemt en voor een ander gaat zorgen. Het is niet meer zo vrijwillig. Maar hoe ver gaat men daarin mee en hoe geeft  men grenzen aan, als er een te groot beroep op elkaar wordt gedaan. Hoe kwetsbaar durft men zich op te stellen, door een ander (familielid, vriend, buur) te vragen of hij of zij voor je wilt zorgen? Hoe kan men voor zichzelf opkomen als anderen denken dat je nog voldoende kunt, terwijl het niet meer gaat. Wat komen de ouderen daarin tegen en wat hebben zij nodig om weerbaarder te zijn? Welke rol speelt de (Hindoestaanse) cultuur? Tijdens de workshop heb ik met de aanwezige ouderen deze vragen behandeld, waarbij er veel ruimte was voor de dialoog en persoonlijke inbreng.

 De ouderen kwamen met hun verschillende persoonlijke verhalen en emoties. Daarmee werd ook duidelijk hoe ingrijpend deze verandering is voor ouderen. Het is de overheid die zegt dat mensen meer hun eigen verantwoordelijkheid moeten nemen door het schoonhouden van hun wijk, door het doen van vrijwilligerswerk, zoals het verlenen van burenhulp, en het geven van mantelzorg. De vraag die rijst is: wat kunnen ouderen dan nog verwachten van de overheid? Wat als ouderen geen kinderen hebben die voor hun kunnen of willen zorgen? Of dat je als oudere je kinderen eigenlijk niet wilt belasten.De ouderen maken hierbij het onderscheid tussen hulp geven en vragen. En het maakt nogal wat uit voor de aanwezige ouderen of het dan gaat om je buren of je kinderen (familie). 

De ouderen kennen hun buren wel, alhoewel niet iedereen ook daadwerkelijk bij hen over de vloer komt. Maar over het algemeen schroomt men niet om hulp te vragen aan de buren (en of vrienden) als de nood echt aan de man is. Het moet dan wel gaan om een noodsituatie, want vragen om gewone hulp of om verzorging, omdat je dat eigenlijk nodig hebt, dat doen de aanwezige ouderen liever niet. Zij gaven o.a. aan dat ze dan bevreesd zijn voor een afwijzing en of gekwetst te worden. Incidenteel om hulp vragen zou misschien soms nog lukken, maar structureel om hulp vragen zal men niet snel doen. Andersom, als de aanwezige ouderen zelf gevraagd werden om hulp te geven aan anderen was men daartoe wel bereid. Al bekennen een aantal van hen eerlijk dat zij dat dan doen, omdat ze zich daartoe verplicht voelen.

Nog ingewikkelder wordt het voor de aanwezige ouderen als zij hulp moeten vragen aan hun kinderen. Hoe ingewikkeld dat is wordt mede bepaald door de relatie tussen de ouderen en hun kinderen. Een aantal ouderen gaven aan  een goede relatie met hun de kinderen te hebben en dat zij door hen ondersteund worden. Er was echter ook een groep ouderen die aangaf weliswaar een goede relatie te hebben met de kinderen, maar dat zij te ver weg wonen om zorgtaken op zich te kunnen nemen. Nog emotioneler was het voor de groep ouderen die eigenlijk teleurgesteld zijn in en/of boos zijn op hun kinderen. Deze kinderen komen niet of te weinig, dus is het onmogelijk hun te vragen om (zorg)taken op zich te nemen. Ik vond het erg moedig dat zij dit, in aanwezigheid van zoveel anderen durfde te zeggen! Met elkaar hebben we vastgesteld dat dit bij veel meer ouderen leeft, maar dat men hier nog onvoldoende voor uit durft te komen.

Veel ouderen hadden aangegeven dat zij in eerste instantie een beroep op hun kinderen zouden doen. Maar het hierin weerbaar op stellen blijkt een lastige opgave te zijn. Bijvoorbeeld aangeven: “ik voel me eenzaam en ik zou het fijn vinden als je langskomt”, in plaats van op een verwijtende toon zeggen tegen je kinderen: “ik zie je nooit, je hebt nooit tijd voor mij” is lastig. Door de aanwezigen werd geconstateerd dat het verwijtende voor een deel komt, doordat vanuit de opvoeding de taal binnen de Hindoestaanse cultuur zeer verwijtend is. Velen gaan daarbij uit van (onuitgesproken) vanzelfsprekende verwachtingen, zoals ‘als goede dochter of zoon behoor je dat vanzelfsprekend en altijd te doen’. Kortom ze geven alleen maar aan wat ze van de ander willen en hebben dan de verwachting dat de ander daar aan moet voldoen. Dan stel je je niet weerbaar op, want  weerbaarheid gaat ook over het respecteren van de grenzen van anderen. Tijdens de workshop heb ik met de aanwezigen gekeken hoe dit op een andere manier kan.  

Opvallend was ook dat bij het aanvaarden van hulp van anderen de angst voor het oordeel van anderen groot is. Men is al snel bang dat “de vuile was” bij de buren of anderen terechtkomt. Liever wordt dan de schone schijn opgehouden, waardoor het lijkt alsof alles goed gaat. Dit gaat ten koste van de weerbaarheid. Want het eerlijk delen van dingen waar men mee zit, dat doet men niet snel. Tijdig aangeven waarmee men zit is een aspect van weerbaarheid. De angst voor het oordeel van anderen maakt onze ouderen extra kwetsbaar.

Als men al iets wil delen dan doen de deelnemers van deze workshop dit in de eerste plaats met hun kinderen. Een minderheid geeft aan met een vriendin/vriend iets te delen. Mij viel de weerstand tegen ‘het delen van waar je mee zit’ op. Sommige gaven zelf aan dat er helemaal niets valt te delen, daar er helemaal geen zaken zijn waar men mee zit. Er zou zeker geen sprake (meer) zijn van taboe onderwerpen, dus valt er ook niets te delen. Het is schrijnend om te zien hoe “taboe onderwerpen” bijvoorbeeld ‘het praten over de zelfmoord van je (klein) kind’ niet besproken wordt. Ik noem dit onderwerp, omdat algemeen bekend is dat zelfmoord onder Hindoestanen hoog is, maar onbesproken blijft.  Ouderen kunnen vanwege de taboes niet met anderen over bepaalde onderwerpen praten en lijden in stilte. Ze raken hierdoor geïsoleerd en eenzaam. Maar taboes kunnen doorbroken worden als we weerbaarder worden en meer (eigen) verantwoordelijkheid nemen voor de zorg voor een ander. Door oprecht betrokken te zijn bij een ander ontstaat er ruimte,  zodat het taboe juist wel gedeeld kan worden. Door te delen komt men uit het isolement en is men in staat om (weer) mee te doen.

Het thema euthanasie kwam ook aan de orde, maar dit kreeg niet de aandacht die dit (taboe?) onderwerp wel verdient. Tijdens de (te) korte discussie hierover werd een pleidooi gehouden voor het versoepelen van de euthanasie wetgeving. Het argument hiervoor was dat als ouderen meer verantwoordelijkheid en meer regie moeten nemen over het leven,  dan moet dat ook  gelden voor het beëindigen hiervan.